zaterdag 1 juni 2013

De betekenis van betekenis: Cottingham, Mijnhardt en Philipse

[01-06] Het Descartescentre had een debat georganiseerd tussen de theist John Cottingham, de atheist Herman Philipse en de agnost Wijnand Mijnhardt. Cottingham is een godsdienstwijsgeer met zeer subtiele opvattingen. Hij schrijft in het bijzonder over ‘religie’ en ‘de betekenis van het bestaan’. Kortweg: religie en betekenis.

Onbedoeld werd dat ook de inzet van het debat: religie en betekenis- maar dan op een wijze die volledig dienstbaar was aan de dubbele ‘betekenis’ van het woord betekenis: volgens Philipse ging het debat over de betekenis van religieuze begrippen, voor Cottingham over de betekenis die religie (het geloof in God) heeft voor de mens. Philipse legde aan het publiek uit dat dit onderscheid wezenlijk is: als je niet weet wat religieuze begrippen betekenen, kun je ook niet bepalen of ze ‘betekenis’ hebben.

John Cottingham verwees naar de ‘transcendente betekenis van het bestaan’. Dit was nu een term die voor Philipse zinledig was. Wat bedoelt iemand met deze uitdrukking? Het is duidelijk dat mensen bepaalde ‘verlangens’ hebben: bijvoorbeeld het verlangen om eeuwig te leven of het verlangen om gelukkig te zijn of het verlangen naar een gezond lichaam, maar wat voegt het adjectief ‘transcendent’ aan dergelijke natuurlijke en begrijpelijke verlangens toe?

Onder de gasten bevond zich ook professor Vincent Brummer. Brummer verweet Philipse dat deze zich aan de discussie onttrok: hij leek de uitleg van Cottingham niet te willen begrijpen. Maar waarom is de terminologie van Cottingham voor Philipse zo lastig te begrijpen? Omdat hij alle termen wil analyseren: soms is een hermeneutische aanpak vruchtbaarder. Philipse verweerde zich fel tegen dit verwijt. Aan de hand van een schema, een 'beslisboom’, die hij zelf ontworpen heeft, probeerde hij uit te leggen dat veel godsdienstwijsgeren zich uitspraken veroorloven die voor een neutrale luisteraar oprecht onbegrijpelijk zijn.

Je zult echter, als je vakkundig wilt filosoferen over religie en de betekenis van het bestaan, eerst duidelijk moeten maken waar je over spreekt. Als dat niet lukt, dan beschikt de filosoof niet eens over het nodige ‘gereedschap’ om tot een vruchtbaar debat te komen. Philipse liet zien hoe je aan de hand van een aantal elementaire kenmerken het werk van alle godsdienstwijsgeren kunt indelen. Om te beginnen kun je bepalen of een godsdienstwijsgeer wel of geen ‘cognitivist’ is. Je bent een cognitivist als je termen verwijzen naar zaken in de werkelijkheid. Een cognitivist denkt dat het begrip ‘God’ dus ergens naar verwijst (ook al kan hij er de facto niet naar verwijzen bijvoorbeeld omdat God verborgen is).

Nadat Philipse had uitgelegd hoe de beslisboom er uit ziet, deelde hij Cottingham in bij de non-cognitivisten. Daar maakte Cottingham bezwaar tegen. Ik vermoed dat dit bezwaar terecht is: immers, Cottingham verwijst regelmatig (in termen die mij sterk doen denken aan het werk van John Hick) naar ‘the’ Real en ‘the’ Transcendent. Vervolgens werd opnieuw bezwaar gemaakt tegen Philipse’s aanpak: je doet het werk van godsdienstwijsgeren geen recht door dit in een schema onder te brengen, mopperde Brummer. Het is echter de vraag of deze kritiek terecht is. Is het niet juist de taak van de filosoof om te informeren naar de houdbaarheid en waarde van de denkbeelden die godsdienstwijsgeren gebruiken? Een analytisch filosoof mág indelingen maken en begrippen analyseren. Het schema van Philipse biedt een handig en goed overzicht van de moderne godsdienstwijsbegeerte en misstaat niet in een goed handboek. Een dergelijk overzicht maakt het gemakkelijk om uiteenlopend denkwijzen met elkaar te vergelijken.

Philipse krijgt wellicht iets te weinig waardering voor zijn bijdrage aan de godsdienstfilosofie. Zijn werk wordt te gemakkelijk afgewezen als het product van iemand die (slechts?) een ‘goede redenaar’ is. Je kunt je afvragen waarom iemand een goede redenaar is: is iemands redenaarskunst niet recht evenredig aan de kracht van zijn argumenten? Philipse verbiedt niemand om te denken en te geloven wat hij wil. Hij zal er alleen op wijzen dat iemand die ‘zomaar’ iets gelooft niet voldoet aan enige wijsgerige standaard. En in die hoedanigheid is Philipse een zegen voor Nederlandse godsdienstfilosofen: hij wijst hen onophoudelijk op de plicht om te blijven redeneren (we bedrijven filosofie, men moet daarom altijd goede argumenten aanvoeren en nóóit zomaar toegeven aan het verleidelijke, geruststellende sentiment van religie). Hij is altijd bereid in debat te gaan, zijn bijdrage verlevendigt iedere bijeenkomst en alhoewel hij geen blad voor de mond neemt is hij altijd voorkomend.

John Cottingham is een fijnzinnig spreker die, inderdaad, zijn denkbeelden uitvoerig beschrijft alsof het frasen uit gedichten zijn.  Hij drukt zich zorgvuldig uit en hij heeft een prachtige spreektrant, maar hij definieert zijn woorden niet. Zo had hij het vaak over 'het' transcendente, zonder precies te beschrijven wat de contrastklasse van het transcendente is. Bedoelde hij met het transcendente alles wat niet 'materieel' is? Alles wat niet 'natuurlijk' is? Alles wat niet overeenkomt met een ideale, toekomstige wetenschappelijke beschrijving van de wereld? Toch maakte zijn voordracht niet de indruk onbegrijpelijk te zijn. En dat roept de vraag op of men over abstracte zaken wel of niet mag spreken in woorden die de lading niet helemaal dekken. Immers, stel dat er een 'ongrijpbare' werkelijkheid bestaat, waarom zou men daar dan niet, hoe moeizaam ook, over mogen spreken in bloemrijke, dichterlijke taal? 

Had Philipse nu gelijk en liet ik mij geestelijk in slaap wiegen door het wijsgerige gedicht van John Cottingham, waarin hij mij een wereld toonde die betekenis heeft en waarin er zelfs objectieve morele waarden bestaan, of heeft Philipse ongelijk en ontgaat hem iets groots, belangrijks en verhevens omdat hij te analytisch en te kritisch is? -Het gesprek tussen Philipse en Cottingham ging écht ergens over: heeft ons bestaan betekenis en hebben onze religieuze termen betekenis?      

Ik wil het Descartescentre de denkbeeldige hand schudden: ik heb erg van de middag genoten. Men heeft ons in de gelegenheid gesteld om in een prachtige zaal te luisteren naar sprekers die de moeite zéér waard zijn. Bovendien verwende men het publiek met gratis [1] thee, koffie, hapjes en drankjes (inclusief vlammetjes en bitterballetjes). Wat dat betreft deed de organisatie 's-werelds beroemdste substantie-dualist alle mogelijke eer aan: je ging met lege handen naar binnen en kwam er geestelijk en lichamelijk verrijkt weer uit.

[1] gratis: betekenis: je hoeft er geen cent voor te betalen. Gelukkig maar, want theologen en filosofen zijn wel eerlijk maar natuurlijk niet zo rijk. Het werd zeer op prijs gesteld!


2 opmerkingen:

  1. En zo kennen we je ook weer, Jan, steeds meer in staat de essentie en de objectievere waarneming van dergelijke discussies weer te geven, denk ik maar, want ik was er niet bij. Mooie kolom. De vraagtekens op de juiste plaatsen in de kolom, denk ik bij dit verslag van de docent/ filosoof.

    Om niet nog elders te hoeven reageren: sommige 'details' zijn in metaforen wel belangrijk toch? Niemand kan over auto's (zelfs dat woord zelf heeft metaforische kwaliteiten van ongekende omvang: autonomie, automobiliteit enzovoort) praten zonder het ook over een rem te hebben, naast gas en stuur. Maar laat dat verder maar zitten. Ik snap(te) wel dat dat de 'kern' van die kolom niet betrof, maar vond het toch ontbreken in het kort stukje ivm een vrije wil. (Gewoon als eventueel 'tipje' in het 1001 pagina's goot boek van je over 'betekenis' nota bene.)

    Kortom, deze manier van 'waarnemen' van dit debat door je beviel me weer eens zeer (met uiteraard weer alle risico van selectieve voorkeuren van mijn kant): zo zal het inderdaad ongeveer gegaan zijn.

    Groet.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Goot boek moet wel groot boek zijn, om over dergelijke betekenis-verschillen in eventuele ironie (hier en verder nergens in mijn reactie sprake van, Jan) geen spraakverwarring te krijgen.

    Maar associatief is het weer een gedachte om mee te 'spelen', na deze 'vout'. Komt goot en groot ooit bijeen, als we Freud om zijn opvattingen over 'versprekingen' zouden moeten 'geloven'? Hij was vast op het spoor van een zekere 'dubbelhartigheid' die iedere dominee of pastoor van de mens los kreeg/ krijgt.

    Ik bedoelde 'groot' en niet 'goot'. En nou Sigmund nog zien te 'overtuigen'. In dit soort vaarwater zitten we met botje, sorry bootje, als het om God gaat ook?

    BeantwoordenVerwijderen

svp berichten niet 'nesten' maar onderaan de lijst met berichten plaatsen :)